Reserveer nu de nieuwe Sony eReader

donderdag 30 oktober 2014

Alveringem, Anzegem, De Haan, Diksmuide, Roeselare en Wingene pilootgemeenten voor kleine windmolens

Alveringem, Anzegem, De Haan, Diksmuide, Roeselare en Wingene werden door de Provincie West-Vlaanderen geselecteerd als pilootgemeenten voor een provinciaal project rond de inplanting van kleine windmolens (tot 15 m masthoogte).

Met deze gemeenten gaat de Provincie aan de slag om een gemeentelijke beleidskader op te stellen rond die inplanting om zo tot een leidraad te komen die ook door de andere gemeenten kan gebruikt worden om zelf een beleidskader op te stellen. Een wetenschappelijke werkgroep zal deze leidraad objectief en autonoom uitwerken.

Met het project wil de Provincie de gemeenten stimuleren om na te denken over de inplanting van kleine windturbines. In welke landschappen zijn ze visueel aanvaardbaar? Onder welke randvoorwaarden kunnen ze vergund worden? Moeten er bepaalde rendementseisen gesteld worden? Dit zijn vragen die binnen het onderzoek worden behandeld.

De deputatie selecteerde tijdens haar zitting van donderdag 23 oktober de zes gemeenten  in functie van een zo groot mogelijke diversiteit binnen de provincie. Op die manier wil de Provincie dat elke West-Vlaamse gemeente zich kan spiegelen aan – delen van – de pilootgemeenten. In totaal stelden 22 gemeenten zicht kandidaat als pilootgemeente.

Het is de ambitie van de Provincie om dit pilootproject tegen eind 2015 af te ronden. Na het uitwerken van de zes gemeentelijke beleidskaders bij de pilootgemeenten, volgt een infosessie voor alle gemeentebesturen waarbij de leidraad voor het opmaken van een gemeentelijk beleidskader zal worden voorgesteld. Vanuit de Provincie kan dan voorzien worden in een specifiek begeleidingstraject voor elke gemeente voor de opmaak van een gemeentelijk beleidskader met eigen klemtonen. Daarna kunnen concrete aanvragen effectief getoetst en beoordeeld worden.

Stroom genoeg in Nederland de komende jaren

Nederland heeft de komende zeven jaar ruim voldoende productievermogen van elektriciteit om te kunnen voldoen aan de binnenlandse vraag naar elektriciteit. Voor de lange(re) termijn ziet TenneT een aantal onzekerheden op de elektriciteitsmarkt. Dat blijkt uit het jaarlijkse Rapport Monitoring Leveringszekerheid dat hoogspanningsnetbeheerder TenneT vandaag heeft gepubliceerd.

Hoewel de vraag naar elektriciteit de afgelopen jaren gestaag daalde, valt op basis van CPB-prognoses van de economische groei (0,75 procent in 2014) te verwachten dat die vraag weer iets zal toenemen. Het binnenlandse aanbod van elektriciteit, het opgestelde operationele productievermogen, is op dit moment circa 28,7 GW. Dit bestaat voor ruim 25 GW uit thermisch productievermogen (kern-, kolen-, gas- en biomassacentrales) en voor 3,4 GW uit wind- en zonne-energie. Daarnaast staat er nog voor 2,7 GW aan vermogen geconserveerd; in de mottenballen.

Energieproducenten hebben productievermogen uit bedrijf genomen en gaan dat de komende jaren ook doen, zowel definitief (amovering) als ter conservering (mothballing). Ook zijn er nieuwbouwplannen geannuleerd. Maar, omdat de nieuwbouw van productievermogen (9,4 GW) in de afgelopen jaren dit vooralsnog compenseert, levert dit de komende jaren geen problemen op om aan de binnenlandse vraag te kunnen voldoen.

Begin 2014 werd er circa 1,6 GW nieuw kolenvermogen in bedrijf genomen. Dit vermogen wordt in de beoordeling van de leveringszekerheid meegenomen in kalenderjaar 2015. Daarboven zijn er in de periode tot 2021 nieuwbouwplannen van thermisch vermogen gepland ter grootte van 1 GW, waarvan 0,3 GW in kleinschalige projecten. Bij investeringen in nieuw opwekvermogen is er sprake van vervanging van oud vermogen, sanering naar kleiner vermogen of concentratie van warmtekrachtkoppeling (wkk) vermogen in geclusterde bedrijven in de tuinbouwsector.
Als gevolg van het Energieakkoord van september 2013 vindt in Nederland een uitfasering plaats van de technisch minst efficiënte eenheden met een totale capaciteit van 2,66 GW. Daarnaast zijn elektriciteitsproducenten voornemens om 0,7 GW te conserveren (mothballing) en circa 0,6 GW te amoveren (sluiten) in de periode 2014 tot en met 2020. Na 2020 wordt nog eens 2,9 GW voor conservering aangemerkt.

Het mogelijk toekomstige tekort aan productiecapaciteit in Nederland ten opzichte van de te verwachten binnenlandse vraag naar elektriciteit wordt door TenneT's investeringen in verbindingen met het buitenland (interconnectoren) te niet gedaan of in grote mate gedempt.
De huidige interconnectiecapaciteit (import en/of export) bedraagt 5.970 MW (5.670 MW plus 300 MW aan intra-day capaciteit). Dit zal de komende jaren groeien naar een totaal van 8.670 MW, een toename van 45 procent. Het gaat daarbij om uitbreiding van de capaciteit met 500 MW van de verbinding tussen Meeden (NL) en Diele (D), een nieuwe interconnector van 1.500 MW tussen Doetinchem (NL) en Wesel (D) en een nieuwe zeekabel (COBRA-kabel) van 700 MW tussen Nederland en Denemarken.

Op basis van het Energie akkoord en de Structuurvisie Wind op Land wordt in deze monitoring rekening gehouden met 4,5 GW operationeel windvermogen op zee in 2023 en 6 GW wind op land in 2020. Op basis van het Nationaal Actieplan Zonnestroom gaat TenneT uit van 4 GW geïnstalleerd PV-vermogen in 2020.

De voorgenomen investeringen in grote hoeveelheden gesubsidieerde, duurzame
elektriciteitsproductiemiddelen, de slechte marktpositie voor gascentrales, de overcapaciteit in Nederland en de ontwikkeling van capaciteitsmarkten in België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk zorgen voor grote onzekerheid als het om investeringen in thermisch vermogen gaat. Daarmee is er geen zekerheid of, en op welk moment, de bestaande nog resterende plannen voor nieuw thermisch vermogen zullen worden gerealiseerd. Het zou kunnen dat de komende jaren meer vermogen definitief wordt stilgelegd of in de mottenballen wordt gezet. Door de toename van duurzaam productievermogen op de Noordwest-Europese energiemarkt neemt de bedrijfstijd van bestaand productievermogen - vooral gasgestookt - af en zorgt voor afname van het rendement van gascentrales.

Hoewel voor een nog verdere blik in de toekomst, het jaar 2029, slechts een indicatie kan worden geven, blijkt dat er dan mogelijk een beperkt vermogenstekort ontstaat om aan de binnenlandse vraag naar elektriciteit te voldoen. Hierbij moet dus wel worden opgemerkt dat zo ver vooruit kijken een grote mate van onzekerheid met zich mee brengt als het gaat om voornemens van energieproducenten om vermogen uit bedrijf te nemen. Ook is het zeer moeilijk om nu al vast te stellen hoe de vraag naar elektriciteit er dan uit zal zien door bijvoorbeeld een grote toename van elektrisch rijden, gebruik van warmtepompen, de staat van de economie of het succes van energiebesparende maatregelen.

Universele standaard maakt marktontwikkeling 'Slim Laden' mogelijk

Sinds kort kunnen alle (markt-)partijen die 'Slim Laden' ('Smart Charging') willen gaan aanbieden voor elektrisch vervoer, één algemeen geaccepteerde standaard hanteren voor de ontwikkeling van hun aanbod. Via de nieuwe standaard ontvangen zij netwerkdata waarmee het laadproces kan worden getimed en piekbelasting wordt voorkomen.

De universele standaard Slim Laden is ontwikkeld door netbeheerder Enexis en laadpuntexploitant GreenFlux en wordt als wereldwijde standaard aan de markt aangeboden. De standaard voorkomt dat er gesloten deelsystemen gaan ontstaan zoals bij systeeminnovaties in andere sectoren is gebeurd. Hierdoor zou de ontwikkeling van Slim Laden vertragen terwijl juist snelheid geboden is.

Met de universele standaard Slim Laden, het zogenaamde 'Open Smart Charging Protocol', is een essentiële stap gezet voor een universeel Europees oplaadsysteem en daarmee voor grootschalige uitrol van elektrisch vervoer in Europa.

Het nieuwe protocol kan worden gezien als een verlengstuk van het protocol voor laadpalen dat door de Stichting e-laad is ontwikkeld en dat inmiddels op verschillende plaatsen in de wereld wordt gebruikt. Het beheer van de standaard is ondergebracht bij de 'Open Charge Alliance'.

Slim Laden is ontwikkeld om in de nabije toekomst de sterk stijgende elektriciteits-vraag als gevolg van het toegenomen elektrisch vervoer aan te kunnen. Op basis van de meest recente Nederlandse overheidsdoelstelling van 1 miljoen e-auto's in 2025, zou het bestaande net binnen 10 jaar tegen zijn grenzen aanlopen. Gezien de laatste sterke groeiverwachtingen over e-auto's zou die periode nog korter zijn.

'Slim' betekent dat de extra belasting van het net 'intelligent' wordt opgevangen, zodat consumenten (zelfs grote groepen) altijd op tijd de accu van hun voertuig kunnen opladen, zonder dat het netwerk daardoor overbelast raakt.

Een casestudy uit 2010 laat zien dat in een straat met 294 huisaansluitingen, waarbij auto's na elke rit onafhankelijk van elkaar worden opgeladen, de grens van overbelasting van de Enexis-transformator ligt bij 36 e-auto's. Door Slim Laden ligt die grens tot bij 419 e-auto's

Slim Laden zorgt er tevens voor dat er geen grote investeringen nodig zijn in het verzwaren van het elektriciteitsnet, en netwerktarieven niet stijgen door de groei van e-auto's. Integendeel! Zo blijkt uit onderzoek dat een bedrijf met 150 parkeerplaatsen in 2024 rond de Euro 1.200 per maand bespaart door Slim Laden, en in 2040 al Euro 7.900 per maand (Kosten Euro 1.300 i.p.v. Euro 9.200).

woensdag 29 oktober 2014

Nieuw consortium voor internationale offshore windparken

Vier gerenommeerde Nederlandse en Duitse consultancy bedrijven op het gebied van windenergie hebben zich verenigd in het nieuwe internationale bedrijf Wind Minds. Doel is al hun kennis en ervaring te bundelen bij de bouw van nieuwe offshore windparken in Noordwest-Europa, Amerika en Azië.

Eerste doelwit zijn de landen Japan en Korea, die Wind Minds bezoekt met de handelsmissie van Minister Kamp van Economische Zaken van 27 oktober tot 4 november. De missie loopt parallel aan het staatsbezoek van koning Willem-Alexander en koningin Máxima.

De vier bedrijven hebben ruim 100 specialisten met meer dan 15 jaar ervaring en zijn betrokken bij meer dan 40 offshore windprojecten in Noordwest Europa, de VS, Canada en Azië. Samen hebben ze gespecialiseerde kennis in alle ontwikkel stadia van een windpark. Van het eerste idee tot de ontwikkeling, van de bouw tot de exploitatie. ,,Met Wind Minds creëren we een one stop shop voor ontwikkelaars, investeerders, overheden en energiebedrijven. Samen kunnen we de hele levenscyclus van offshore windparken dekken," zegt Arno Verbeek van Pondera Consult uit Hengelo. De andere deelnemende bedrijven zijn MECAL Independent eXperts uit Enschede, Ep4 Offshore uit Hamburg en BBB Umwelttechnik GmbH uit Gelsenkirschen.

Volgens Wind Minds ligt de toekomst van de Europese energievoorziening bij offshore windparken. Terwijl het bouwen van windturbines op land moeizaam gaat, bieden de kusten van Nederland, Engeland, Schotland en Scandinavië uitstekende mogelijkheden voor windenergie. ,,Offshore windenergie is de snelst groeiende energiesector in Europa," stelt Verbeek. ,,Kijk maar naar de cijfers. Dit jaar alleen al zijn er zestien windparken bij gekomen in Europa die samen 5 gigawatt duurzame stroom produceren. In Europa staan al 73 offshore windparken in elf landen met een gezamenlijk vermogen van 7,5 gigawatt."

Tijdens de handelsmissie probeert Wind Minds de Nederlandse en Duitse kennis te vermarkten in Japan en Korea. ,,We zitten al Azië. We hebben gespecialiseerde bedrijven met zeer specifieke expertise. Daarmee kunnen we de bouw van windparken in die landen ondersteunen," aldus Verbeek. Hij voegt daar aan toe: "Het werkt ook de andere kant op: met onze Noordeuropese achtergrond kunnen we Aziatische bedrijven ook ondersteunen bij het verkrijgen van een marktaandeel in Europa."

De vier bedrijven brengen hun eigen specialisme in bij het nieuwe Wind Minds. Pondera Consult heeft kantoren in Nederland en Groot-Brittannië en ondersteunt en adviseert ontwikkelaars, investeerders en producenten op het gebied van financiële- en haalbaarheidsstudies, vergunningen en management vooral tijdens de ontwikkelfase van een project. Pondera is onder meer bekend van haar betrokkenheid bij het unieke hybride onshore en offshore Windpark Noordoostpolder; met 430 MW het grootste windpark in Nederland en een van de grootste in Europa. Onafhankelijk ingenieursbedrijf Mecal heeft kantoren in Nederland, de VS, China en Japan en ondersteunt zijn klanten tijdens de hele cyclus van windenergie. Het bedrijf levert wereldwijd de technologie en kennis om de risico's van windparken te verlagen en het rendement te verhogen, wat tot optimale exploitatie leidt.

Het Duitse Ep4 offshore is een projectontwikkelaar en dienstverlener op het gebied van offshore windprojecten, die bij de meeste grote windprojecten in Europa is betrokken. BBB umwelttechnik GmbH is een van de hoogst aangeschreven technische consultancy bedrijven in de windenergiesector met een enorme staat van dienst in speciale engineeringsdiensten bij alle fases in de ontwikkeling van onshore en offshore windparken. Zo speelde BBB een belangrijke rol bij de samenwerking tussen Stadwerke München en Vattenfall in de Duitse offshore windparken Dan Tysk en Sandbank.

Duurzaam ondernemen krijgt financiële impuls van NWO

Vijf consortia van onderzoekers, organisaties en bedrijven ontvangen van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) in totaal twee miljoen euro uit het programma ‘Duurzame Businessmodellen’. Twee van de consortia worden geleid door Utrechtse innovatiewetenschappers Marko Hekkert en Koen Frenken. Duurzaamheidsonderzoeker Ellen Moors is betrokken bij een derde consortium. Alle drie de onderzoekers zijn verbonden aan de faculteit Geowetenschappen van de Universiteit Utrecht.

Met het programma ‘Duurzame Businessmodellen’ wil NWO nieuwe kennis en methoden ontwikkelen die de overgang naar duurzame businessmodellen in Nederland versnellen. In de consortia werken wetenschappers, bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties samen.

“Door de intensieve kennisuitwisseling tussen wetenschap en maatschappelijke organisaties kunnen we snel kennis opdoen”, vertelt Marko Hekkert, projectleider en hoogleraar Innovatiestudies aan de Universiteit Utrecht. “Om te bereiken dat duurzame businessmodellen het standaard businessmodel worden, hebben we nog een lange weg te gaan. Juist daarom is dit NWO-programma, waarin we nauw samenwerken met overheden en bedrijven die heel actief zijn op dit vlak, zo interessant.”

In totaal zijn drie Utrechtse geowetenschappers betrokken bij de projecten. Twee van de vijf consortia worden geleid door Utrechtse geowetenschappers, en bij een derde is de Universiteit Utrecht nauw betrokken. Prof. dr. Marko Hekkert staat aan het hoofd van 'Innovatiesystemen- en organisatie', en prof. dr. Koen Frenken leidt 'Het opschalen van autodelen in Nederland'. In het consortium 'Transitie naar duurzame bedrijfsmodellen' is prof. dr. Ellen Moors een van de meewerkende onderzoekers.


Smappee wordt steeds veelzijdiger

Smappee, het bedrijf achter de gelijknamige energiebuddy waarmee je kunt besparen op je stroomrekening zonder aan comfort in te boeten, blijft innoveren. De nieuwste update van de Smappee-app biedt de gebruiker nog meer functionaliteit en nog meer gebruiksgemak dan voorheen.

Wil je dat je tv en de bijbehorende decoder uitgeschakeld worden als je gaat slapen of als er niemand meer thuis is? Of dat de apparatuur in je thuiskantoor uitgezet wordt wanneer je je woning verlaat? Dat kan nu via ‘triggers’. Met de nieuwe ‘trigger’-opties kun je zelfs elektrische toestellen uitschakelen als je verbruik te hoog oploopt of elektrische laders inschakelen als je zonnepanelen veel stroom produceren. Ook kun je een vakantieschema opstellen dat je aanwezigheid simuleert door ’s avonds een aantal lampen te laten branden en er tegelijk voor zorgt dat de toestellen die via een Smappee-comfortplug aangesloten zijn uitgeschakeld worden. Op die manier verhoogt Smappee je comfort en bespaar je nog meer energie.

Daarnaast zijn er verschillende verfijningen in de app doorgevoerd. Elektrische toestellen in huis worden nu bijvoorbeeld nog beter herkend. Bovendien worden ze voortaan gerangschikt aan de hand van hun stroomverbruik, zodat je onmiddellijk ziet welk apparaat de meeste energie opslurpt. Simpel doorklikken brengt je bij het ‘Toestel DNA’, een visuele ID die zowel inzicht geeft in het energieverbruik per dag, week, maand of jaar als in de kosten die daaraan verbonden zijn. Verder is de installatieprocedure vereenvoudigd en versneld en is het aantal FAQ’s dat gebruikers kunnen raadplegen fors vergroot. 

dinsdag 28 oktober 2014

IKEA Haarlem bijt spits af met speciale shop voor zonne-energie

IKEA Haarlem is sinds vandaag de eerste Nederlandse winkel van het Zweedse woonwarenhuis met een speciale shop voor zonne-energie. Het aanbod bestaat uit complete systemen voor zonne-energie, inclusief advisering, installatie, online monitoring van het rendement en garantie. Daarmee stelt IKEA samen met het gespecialiseerde energiebedrijf Hanergy haar Nederlandse klanten in staat fors te besparen op de energierekening. Door zelf schone energie op te wekken, dragen mensen bovendien bij aan het realiseren van een duurzamer leven thuis.

Nederland is na Groot-Brittannië de tweede markt waar IKEA complete systemen voor zonne-energie aanbiedt. IKEA FAMILY leden profiteren van 15 procent voordeel op de totaalprijs. Gespecialiseerde medewerkers van Hanergy adviseren IKEA klanten niet alleen over het optimale systeem voor hun situatie, zij wijzen hen ook op de mogelijkheid btw terug te vragen en een zogenoemde groene lening aan te vragen.

De prijs voor het kleinste systeem is 3200 euro exclusief BTW en de prijs voor een gemiddeld systeem is 4400 euro exclusief BTW voor een volledige installatie. Met de offerte ontvangen zij ook een realistische prognose van de jaarlijkse besparing aan energiekosten en de terugverdientijd van het volledige systeem. Een gemiddelde opstelling van 2,5 kW kan bijvoorbeeld per jaar ongeveer 2.410 kWh genereren, wat een besparing van zo’n 500 euro (50 procent) op de kosten voor elektriciteit oplevert. Het rendement op de investering kan oplopen tot 11 procent per jaar.
 

Zuinig rijden met goede autobanden (i.m.)

Als je een zuinige auto hebt, dan ben je al veel stappen vooruit op de meeste automobilisten. Wist je dat jouw autobanden ook kunnen bijdragen aan hoe zuinig je rijdt? Lees hieronder de tips om nog zuiniger te rijden als je let op de kwaliteit van en spanning van de autobanden.

Harder of zachter?
 
De juiste bandenspanning staat vaak aan de binnenkant van het portier of op de midden- of A-stijl. Mocht de sticker daar niet staan, dan staat het altijd in het instructieboekje. De juiste bandenspanning is afhankelijk van de belasting, type auto en de maat van de banden, maar ook de maximale snelheid heeft hier mee te maken.

Het is belangrijk dat de autobanden de juiste bandenspanning hebben. Zachte banden hebben een hogere rolweerstand en gebruiken daardoor meer brandstof om te rijden. Banden die te hard zijn opgepompt hebben geen goede ligging op de weg en slijten daardoor sneller.

Banden slijtage
 
Banden slijten door gebruik. Hoeveel de banden slijten heeft te maken met het soort wegdek waar je vaak op rijdt, hoe hard je rijdt, de bandenspanning en het soort rubber waar de band van is gemaakt. Banden bestaan uit verschillende soorten rubber en het ene soort slijt minder snel dan het andere. Banden kunnen in hun levensduur tot wel twee kilo aan rubber verliezen.

Hoeveel kun je besparen?
 
Als je goede banden onder je auto hebt zitten, dan kun je een hoop besparen. Zowel voor je eigen portemonnee als voor het milieu. Als je jouw banden goed op spanning houdt, dan kun je tot wel €100 per jaar besparen. Dat bespaart zoveel als 400 kiloton CO2 per jaar. Dat is zoveel als het planten van bomen op 56 duizend voetbalvelden. In de toekomst zal nieuwe rubbertechnologie erg belangrijk zijn in het terugdringen van de CO2-uitstoot.




BP investeert 2 miljoen in fundamenteel onderzoek UT

BP investeert de komende vijf jaar twee miljoen euro in fundamenteel onderzoek door de vakgroep Physics of Complex Fluids van UT-onderzoeksinstituut MESA+. Doel van het onderzoek is om beter te begrijpen hoe olie vastgeplakt zit aan het poreuze gesteente van een olieveld op een moleculair niveau. Toepassing van deze kennis moet het mogelijk maken om meer olie uit bestaande velden te kunnen halen.

Momenteel kan een groot gedeelte van de olie uit een olieveld niet gewonnen worden omdat het ‘plakt’ aan poreus gesteente; gemiddeld kan ongeveer twee derde van de olie niet naar boven worden gehaald. Om de olie zo veel mogelijk los te spoelen wordt doorgaans zeewater in het olieveld gepompt. Het was al bekend dat je door het verminderen van de hoeveelheid opgeloste stoffen in het water meer olie kunt winnen. Momenteel past BP voor het eerst zijn LoSal® EOR technologie toe bij een olieplatform in de Noordzee, waarbij de zoutconcentratie van het water wordt verlaagd.

Om deze technologie verder te verbeteren onderzoeken wetenschappers van de Universiteit Twente welke componenten van de ruwe olie op welke manier aan het gesteente blijven plakken. Dit in de hoop dat een beter begrip hiervan op een fundamenteel niveau het mogelijk maakt om meer olie uit een veld te kunnen winnen.

BP investeert de komende vijf jaar twee miljoen euro in het onderzoek van de vakgroep Physics of Complex Fluids. Hiermee verlengt BP een samenwerkingsproject met de vakgroep dat al langer loopt. Prof. dr. Frieder Mugele, hoofd van de vakgroep, noemt het zeer positief dat het bedrijf niet kiest voor kortlopende deelprojecten, maar inzet op langdurige strategische samenwerking. “BP wil echt op fundamenteel niveau weten wat er aan de hand is. Door het lange termijn karakter en de grootte van het project kun je als onderzoeker echt iets bijdragen. Het ultieme doel van het onderzoek is BP-ingenieurs in staat stellen om de olievelden waarmee ze werken beter te begrijpen en ze met de kennis die we genereren in staat te stellen om zoveel mogelijk olie naar de oppervlakte te krijgen.”

Handel op gashandelsplaats TTF stijgt naar recordhoogte

Het jaar 2014 duurt nog een paar maanden, maar nu al is duidelijk dat dit jaar op de Nederlandse gashandelsplaats TTF (Title Transfer Facility) meer is verhandeld dan in geheel 2013. Dat blijkt uit de spectaculaire groei van het verhandelde volume. Werd in heel 2013 8.287 TWh verhandeld, begin deze maand stond de teller van de directe handel (OTC) al op 9.182 TWh. Daarmee zet de tussensprint van TTF in het eerste halfjaar van 2014 door. De groeicijfers demonstreren dat Nederland zich in Europa in snel tempo heeft ontwikkeld tot één van de meest aantrekkelijke handelsplaatsen voor gas.

Verreweg het grootste deel van de handel op TTF vindt plaats via OTC: Over-The-Counter. Dit betreft directe handel tussen partijen, al dan niet met tussen­komst van een makelaar (broker). In Europa steken twee gas hubs met kop en schouder (samen ruim 80%) boven de gashandelsplaatsen in de rest van Europa uit: het Britse NBP (National Balancing Point) en TTF. Tot in het voorjaar van 2014 was NBP iedere maand de nummer één in OTC-handel, maar TTF heeft deze koppositie overgenomen. Zodanig zelfs dat gerekend over het meest recente gasjaar (oktober 2013 - september 2014) er meer OTC-handel heeft plaatsgevonden op TTF dan op NBP.  Over de maand september van 2014 was dat 1.138 TWh op TTF en 796 TWh op NBP. Een goed werkend TTF versterkt de leveringszekerheid en zorgt er bovendien voor dat vraag en aanbod goed hun werk kunnen doen.

Naast de OTC-handel vindt het overige deel van de gashandel plaats via een gasbeurs, vooral via ICE (Inter Continental Exchange). Ook hier zit TTF in de lift. In september werd na februari en juni voor de derde keer dit jaar een “record high” gescoord.

maandag 27 oktober 2014

Cogas start proeftuin voor eigen energievoorziening

“Nu alvast investeren in slimme technologie om te voorkomen dat we in de toekomst onnodig veel koper in de grond moeten leggen”. Zo begint Marcel Gehrels, senior projectleider duurzame energie, zijn uitleg over de proeftuin duurzame energie bij het Cogas terrein in Almelo.

Koper? “Infrastructuur. Kabels en transformatoren”, verduidelijkt Gehrels. “We willen via de bestaande netwerken zoveel mogelijk duurzame energie kunnen leveren. In deze proeftuin onderzoeken we welke technologieën daarvoor nodig zijn en hoe we die aan elkaar kunnen koppelen.”

Cogas faciliteert en ondersteunt meerdere proeftuinen in de regio, maar dit project is volledig in eigen beheer. Gehrels: “We kozen ons eigen gebouw als proeftuin. Zo hebben we zelf de regie en kunnen we direct testen wat het effect is. We gaan onderzoeken of we onze locatie zo kunnen inrichten dat we op de lange termijn het huidige energienetwerk niet of nauwelijks nog hoeven te belasten. Deze proeftuin is de bodem voor grotere proeftuinprojecten.”

Wat gebeurt er precies in de proeftuin? “We willen een ‘smart grid’, een slim netwerk, ontwikkelen dat duurzame energie kan opwekken, opslaan en reguleren. Voor het opwekken van energie worden de daken en de tuin van ons gebouw voorzien van ongeveer 400 gesubsidieerde zonnepanelen. Microturbines op ons terrein maken van aardgas elektriciteit en warmte. Om je een idee te geven: 20 kW aardgas maakt 3 kW elektriciteit en 15 kW warmte.

Voor de opslag van elektriciteit wordt een proef gedaan met twee milieuvriendelijke zeezoutbatterijen. De zeezoutbatterijen worden ontwikkeld om de stroom op te slaan als er weinig afname is en om de elektrische auto’s van Cogas snel op te kunnen laden. Gehrels: ‘We willen toe naar elektrische auto’s voor ons woon-werkverkeer, die rijden op energie die we zelf opwekken. We delen de auto’s onderling. Op deze manier verwachten we per jaar 200 ton aan CO2 uitstoot te kunnen besparen”.

Het kloppende hart in de Cogas proeftuin is balancing software. Deze moet de opgewekte energie reguleren en afgeven waar en wanneer nodig. “Komen er veel zonnige dagen aan? Dan moet de computer zorgen voor het signaal ‘extra opslaan’. Is er een auto ingepland, maar bijna leeg? Dan zorgt het systeem ervoor dat die auto op tijd opgeladen is. De software verbindt opwek met opslag en met gebruik”, legt Marcel uit.

De proeftuin gaat dit najaar van start. Eind 2015 wil Cogas de eerste resultaten oogsten. Marcel: “Doet de zeezoutbatterij wat ‘ie belooft? Levert de microturbine het gewenste effect op en wat is de invloed van deze hoeveelheid zonnepanelen op ons netwerk? Welke software is nodig om de energie goed te reguleren en kunnen we onze CO2-uitstoot beduidend omlaag brengen?.”

Cogas past in deze proeftuin crowdfunding toe. Dat betrekt niet alleen de medewerkers van Cogas bij het project, het zorgt er ook voor dat het concept te herhalen is bij andere bedrijven. Het totale vermogen van de zonne-installatie wordt in delen geknipt: zonnedelen. Die zonnedelen worden verkocht aan belangstellenden. “Het geïnvesteerde bedrag gebruiken we om de zonne-installatie te financieren. De investeerder krijgt een mooi rendement op het geïnvesteerde bedrag, ongeveer 3% per jaar, net als bij eigen zonnepanelen afhankelijk van de elektriciteitprijs en het aantal uren zon. Na een periode van 15 jaar krijgt hij of zij het ingelegde bedrag terug. Zo kan iedereen bijdragen aan duurzame energie, ook al heb je een eigen dak dat niet geschikt is voor zonnepanelen.

Hoofdkantoor Oilinvest naar Den Haag

Oilinvest (Nederland) B.V. heeft ervoor gekozen om zich te vestigen in het World Trade Center in het Haagse Beatrixkwartier. Het moederbedrijf van onder meer Tamoil en HEM is brandstofleverancier in de Europese olie- en gassector. De Oilinvest Groep raffineert ruwe olie en vermarkt geraffineerde olieproducten in Italië, Duitsland, Zwitserland, Spanje en Nederland.

Het Haagse gemeentebestuur zegt verheugd te zijn over de komst van het hoofdkantoor van Oilinvest (Nederland) B.V. naar Den Haag. Wethouder Karsten Klein (Economie): "Oilinvest is een aanwinst voor de stad en de vestiging van het hoofdkantoor laat zien dat Den Haag een aantrekkelijke vestigingsplaats is voor internationale bedrijven. Bij het aantrekken van nieuwe bedrijven zetten we in op samenwerking met sterke en groeiende economieën. Dat werpt zijn vruchten af: naast de vestiging van bedrijven als APM Terminals, Damco, Q8, Muntajat, heeft weer een internationaal gerenommeerd bedrijf voor onze mooie stad gekozen."

De gemeente Den Haag heeft in het acquisitietraject nauw samengewerkt met de landelijke- en regionale acquisitiebureaus WestHolland Foreign Investment Agency en Netherlands Foreign Investment Agency.

Gelderse windvisie kan rekenen op steun

windturbine; bron provincie GelderlandIn Provinciale Staten tekent zich een meerderheid af voor de plannen die het college van Gedeputeerde Staten in de Windvisie heeft neergelegd.

Het doel van de visie is om in 2020, volgens afspraken met het Rijk, 230,5 MW met windenergie op te wekken. Daarvoor zijn gebieden aangewezen die volgens het college het meest kansrijk zijn. Een aantal fracties schaart zich met pijn in het hart achter het voorstel omdat het nu eenmaal een bestuurlijke afspraak en dus realiteit is. Zij blijven van mening dat er teveel naar wind wordt gekeken en niet naar andere alternatieven. Op 12 november wordt het definitieve oordeel in de Statenvergadering uitgesproken.

In de Statencommissie Mobiliteit, Innovatie en Economie (MIE) werd op 15 oktober uitvoerig gediscussieerd over de voor- en nadelen van windenergie. Windturbines werden vergeleken met ‘openbare verbrandingsovens van gemeenschapsgeld’. Zij zouden echte innovatie blokkeren. Ook de impact op het landschap, de overlast voor omwonenden en veiligheid hield de Statenleden bezig. Maar dat er gezocht moet worden naar vormen van hernieuwbare energie om minder afhankelijk te worden van fossiele brandstoffen is voor iedereen een gegeven.

Een apart punt van aandacht vormde de locatie de Bijvanck bij Angerlo. Aan het college werd gevraagd hieraan een aparte status te verlenen omdat er al een inpassingsplan in de maak is. Ook waren er zorgen bij de Statenleden over lokaties in de visie die inmiddels zijn vervallen vanwege besluiten van gemeenteraden of bezwaren van bijvoorbeeld Rijkswaterstaat. Wageningen is zo’n locatie. Daaraan gekoppeld wordt de vraag of het provinciale doel in 2020 wel gehaald kan worden. Belangrijk voor veel fracties is het draagvlak bij gemeenteraden voor het bouwen van windturbines.

Gedeputeerde Annemieke Traag zal voor de vergadering van Provinciale Staten van 12 november een vervolgvoorstel opstellen. Het college gaat dan nader in op de Bijvanck en andere vragen die door de fracties zijn opgeworpen zoals een gedragscode. Zij benadrukte dat in de tweede helft van 2015 de voortgang op de meest belangrijke locaties wordt geëvalueerd. Dat moet duidelijkheid geven over de haalbaarheid van de provinciale doelstelling.

Delen

Twitter Delicious Facebook Digg Stumbleupon Favorites More