IEA: zon en wind leveren steeds meer, opslag wordt onmisbaar
De wereld gebruikt de komende jaren veel meer elektriciteit. Internationaal energieagentschap (IEA) beschrijft in het rapport Electricity 2026 dat de mondiale stroomvraag tussen 2026 en 2030 gemiddeld met 3,6% per jaar groeit. Dat komt door meer elektrificatie in industrie, vervoer en gebouwen, en door nieuwe grote stroomverbruikers zoals datacenters. Tegelijk schuift de opwekmix verder richting zon en wind: in 2030 komt naar verwachting ongeveer de helft van de wereldwijde stroomproductie uit hernieuwbaar en kernenergie. Maar die omslag heeft een keerzijde: netten en flexibiliteit (zoals opslag) worden de bottleneck.
Zonne-energie groeit wereldwijd het hardst. In 2025 nam de mondiale stroomproductie uit zon met ongeveer 620 TWh toe (de grootste jaar-op-jaar stijging), en volgens de IEA haalt zon al rond 2026 wind en kernenergie in als bron van elektriciteit, en rond 2029 ook waterkracht.
In veel regio’s zijn zon en wind samen goed voor het grootste deel van de extra stroom die nodig is. De IEA verwacht bovendien dat het aandeel zon en wind in de wereldwijde elektriciteitsmix verder oploopt (van grofweg 17% nu naar 27% in 2030), waardoor het systeem steeds vaker te maken krijgt met pieken in aanbod en dalen in vraag.
Meer zon en wind betekent ook: vaker lage of zelfs negatieve stroomprijzen op momenten dat het hard waait of de zon vol schijnt. De IEA laat zien dat zonneparken in meerdere Europese landen steeds vaker precies in die goedkope uren produceren. In Duitsland valt inmiddels ongeveer een kwart van de zonneproductie in uren met negatieve prijzen.
Daarbij ziet de IEA dat de gemiddelde prijs die grote zonneparken “meepakken” op de markt (ten opzichte van de gemiddelde marktprijs) de afgelopen jaren scherp is gedaald: in veel Europese landen zakte die maatstaf van boven 100% in 2018 naar onder 60% in 2025. Voor wind is die daling minder sterk; wind blijft in veel markten doorgaans boven 80%, maar ook daar staat de waarde onder druk als het aanbod snel groeit. Conclusie van de IEA: opslag helpt om zonne- en windstroom te verschuiven naar uren met hogere vraag en hogere prijzen, en maakt projecten én het net stabieler.
Het rapport signaleert een versnelling in grootschalige batterijopslag. In 2024 kwam er wereldwijd 63 GW aan grote batterijen bij (opnieuw een record), waarmee het totaal uitkwam op 124 GW. De kosten van batterijopslagprojecten daalden volgens de IEA in 2024 met ongeveer 40% naar circa USD 150 per kWh.
De IEA ziet ook dat batterijen inmiddels echt meetellen bij piekbelasting. In Californië was de verhouding tussen grootschalige batterijcapaciteit en de piekvraag in 2024 bijna 25%; in onder meer Zuid-Australië en het Verenigd Koninkrijk rond 15% (terwijl dat in 2019 nog onder de 5% lag).
Zonne-energie groeit wereldwijd het hardst. In 2025 nam de mondiale stroomproductie uit zon met ongeveer 620 TWh toe (de grootste jaar-op-jaar stijging), en volgens de IEA haalt zon al rond 2026 wind en kernenergie in als bron van elektriciteit, en rond 2029 ook waterkracht.
In veel regio’s zijn zon en wind samen goed voor het grootste deel van de extra stroom die nodig is. De IEA verwacht bovendien dat het aandeel zon en wind in de wereldwijde elektriciteitsmix verder oploopt (van grofweg 17% nu naar 27% in 2030), waardoor het systeem steeds vaker te maken krijgt met pieken in aanbod en dalen in vraag.
Meer zon en wind betekent ook: vaker lage of zelfs negatieve stroomprijzen op momenten dat het hard waait of de zon vol schijnt. De IEA laat zien dat zonneparken in meerdere Europese landen steeds vaker precies in die goedkope uren produceren. In Duitsland valt inmiddels ongeveer een kwart van de zonneproductie in uren met negatieve prijzen.
Daarbij ziet de IEA dat de gemiddelde prijs die grote zonneparken “meepakken” op de markt (ten opzichte van de gemiddelde marktprijs) de afgelopen jaren scherp is gedaald: in veel Europese landen zakte die maatstaf van boven 100% in 2018 naar onder 60% in 2025. Voor wind is die daling minder sterk; wind blijft in veel markten doorgaans boven 80%, maar ook daar staat de waarde onder druk als het aanbod snel groeit. Conclusie van de IEA: opslag helpt om zonne- en windstroom te verschuiven naar uren met hogere vraag en hogere prijzen, en maakt projecten én het net stabieler.
Het rapport signaleert een versnelling in grootschalige batterijopslag. In 2024 kwam er wereldwijd 63 GW aan grote batterijen bij (opnieuw een record), waarmee het totaal uitkwam op 124 GW. De kosten van batterijopslagprojecten daalden volgens de IEA in 2024 met ongeveer 40% naar circa USD 150 per kWh.
De IEA ziet ook dat batterijen inmiddels echt meetellen bij piekbelasting. In Californië was de verhouding tussen grootschalige batterijcapaciteit en de piekvraag in 2024 bijna 25%; in onder meer Zuid-Australië en het Verenigd Koninkrijk rond 15% (terwijl dat in 2019 nog onder de 5% lag).

Geen opmerkingen: