IEA: volgende fase energietransitie draait om industrie, grondstoffen en ketens
Wind, zon en opslag groeien wereldwijd verder door. Daardoor wordt scherper zichtbaar waar de versnelling tegenaan loopt: leveringsketens raken steeds meer geconcentreerd, de druk op grondstoffen en productiecapaciteit neemt toe en landen concurreren steviger om de industrie en technologie achter de energietransitie naar zich toe te trekken. Het IEA-rapport Energy Technology Perspectives 2026 laat zien dat die knelpunten snel belangrijker worden, ook voor Nederland en Europa.
Het knelpunt voor wind zit nu vooral in de industrie erachter. Windturbines kosten in Europa en de Verenigde Staten gemiddeld rond 1 miljoen dollar per MW, tegenover ongeveer 280.000 dollar in China. Bij windbladen komt ongeveer 75% van het kostenverschil met China voort uit hogere arbeidskosten, terwijl energie daar volgens het IEA nauwelijks een rol speelt.
Dat laat zien dat innovatie alleen niet genoeg is. Ook produceren in Europa moet betaalbaarder en concurrerender worden.
Ook de afhankelijkheid van kritieke materialen is een zwakke plek. De verwerking van zeldzame aardmetalen voor onder meer magneten in windturbines is sterk geconcentreerd in China. Recente exportbeperkingen hebben die kwetsbaarheid extra zichtbaar gemaakt.
Volgens het IEA ligt een deel van de oplossing in slimmere ketensamenwerking. Productie in Europa, gecombineerd met componenten uit India, kan het kostennadeel ten opzichte van China aanzienlijk verkleinen. Zo kunnen kosten omlaag en afhankelijkheden beter worden gespreid.
Voor opslag is het nieuwe inzicht vooral hoe groot de afhankelijkheid inmiddels is. China is volgens het IEA in de batterijketen goed voor 60 tot 85% van de productiecapaciteit, en bij sommige stappen zelfs voor meer dan 95%. Een verstoring van Chinese batterij-export kan volgens het rapport direct grote economische gevolgen hebben, waarbij Europa hard geraakt zou worden.
Volgens het IEA ligt de oplossing in het spreiden van de keten. Dat betekent: niet alleen meer batterijfabrieken bouwen in Europa, maar vooral ook de productie van cruciale tussenstappen buiten China opbouwen, samen met partnerlanden. Ook innovatie en recycling kunnen helpen om die afhankelijkheid op termijn te verkleinen.
Het knelpunt voor wind zit nu vooral in de industrie erachter. Windturbines kosten in Europa en de Verenigde Staten gemiddeld rond 1 miljoen dollar per MW, tegenover ongeveer 280.000 dollar in China. Bij windbladen komt ongeveer 75% van het kostenverschil met China voort uit hogere arbeidskosten, terwijl energie daar volgens het IEA nauwelijks een rol speelt.
Dat laat zien dat innovatie alleen niet genoeg is. Ook produceren in Europa moet betaalbaarder en concurrerender worden.
Ook de afhankelijkheid van kritieke materialen is een zwakke plek. De verwerking van zeldzame aardmetalen voor onder meer magneten in windturbines is sterk geconcentreerd in China. Recente exportbeperkingen hebben die kwetsbaarheid extra zichtbaar gemaakt.
Volgens het IEA ligt een deel van de oplossing in slimmere ketensamenwerking. Productie in Europa, gecombineerd met componenten uit India, kan het kostennadeel ten opzichte van China aanzienlijk verkleinen. Zo kunnen kosten omlaag en afhankelijkheden beter worden gespreid.
Voor opslag is het nieuwe inzicht vooral hoe groot de afhankelijkheid inmiddels is. China is volgens het IEA in de batterijketen goed voor 60 tot 85% van de productiecapaciteit, en bij sommige stappen zelfs voor meer dan 95%. Een verstoring van Chinese batterij-export kan volgens het rapport direct grote economische gevolgen hebben, waarbij Europa hard geraakt zou worden.
Volgens het IEA ligt de oplossing in het spreiden van de keten. Dat betekent: niet alleen meer batterijfabrieken bouwen in Europa, maar vooral ook de productie van cruciale tussenstappen buiten China opbouwen, samen met partnerlanden. Ook innovatie en recycling kunnen helpen om die afhankelijkheid op termijn te verkleinen.

Geen opmerkingen: